Ze schrikt wakker. Door geloken ogen, nog plakkerig en weerspannig van de slaap merkt ze de godheid op.
'Apollo', kreunt ze.
'Ik wil je.'
'Nee, verdwijn. Alsjeblieft.'
'Je aanbidt me,' zegt hij, 'je wilt me,' ze schudt haar hoofd, 'je wilt me en ik zal je belonen, je wilt me en ik zal je diepste wens voor waar maken.'
'Ik wil de toekomst kunnen voorspellen.'
'Bij deze.'
De god Apollo schrijdt tot bij haar, want dat is de manier waarop een hemelbewoner van het kaliber van Apollo zich voortbeweegt. Met een soepel gebaar laat hij zijn reismantel van een goudgeel glinsterend, atletisch lichaam glijden. Zo staat hij daar dan, armen gespreid, te wachten. Een godheid van het kaliber van Apollo doet niet zelf al het werk, daarvoor zijn sterfelijken en mindere godheden bedoeld.
'Nee.' Zegt ze.
'Er is geen nee meer, ik heb je gegeven wat je wou, jij geeft me nu wat ik wil.'
Hij zegt het alsof het een feit betreft.
'Nee.' Zegt ze, opnieuw, beslist.
Met roodaangelopen gelaat kijkt hij op haar neer, hij trilt een beetje. Dan kalmeert hij zichzelf. Een zachte glimlach. Welwillend: 'een kus dan, dat is toch wel het minste dat ik heb verdiend.'
'Eén kus.'
Hij neemt haar gezicht tussen zijn grote handen en kijkt haar diep in de ogen. Ziet ze daar een boosaardige fonkeling? Wanneer hij zijn lippen op de hare drukt opent ze haar mond een beetje. Zijn greep wordt harder en hij houdt haar hoofd nu in een klem. In haar mond fluistert hij de volgende woorden: 'een gave van de goden kan nooit afgenomen worden, maar jij hebt me vernederd, ik vervloek je, jij zal de toekomst kunnen voorspellen, maar niemand zal je geloven, je zal rampspoed van mijlenver zien aankomen, tijdig om je geliefden en verwanten te redden, maar ze zullen niet naar je luisteren, je zal moord en brand schreeuwen en de mensen zullen je uitlachen.'
Als ze haar ogen terug opent is hij allang verdwenen. Een hele poos nog staat ze daar, met de handen voor het gelaat.
'Troje zal vallen, de Grieken zullen tien jaar lang op ons inhakken en ons dan met een list verschalken, onze stad zal branden, onze vrouwen zullen verkracht worden, de mannen tot slaaf gemaakt en zuigelingen vermoord in hun wieg.' Priamos kijkt zijn dochter aan, de stad kan niet vallen, de muren zijn hoog en sterk, onze voorraden zijn onuitputtelijk en de verdedigers van de stad zullen nimmer capituleren. Dat zegt hij haar allemaal en ze herhaalt wel duizend keer haar waarschuwing.
'Er zullen grootmachten ontstaan en zij zullen de wereld op zijn grondvesten laten daveren. Hun namen zullen Athene en Sparta zijn.' Instemmend geknik van omstaanders, niets vreemds aan de hand daar. 'Hun namen zullen Rome en de Achaemeniden zijn.' Enkele vreemde blikken, waar is dat dan, die Achaemeniden, een eilandje ergens ten zuiden van Knossos denk ik, niets te grootmacht aan. 'Hun namen zullen China en de US of fucking A zijn en zij zullen geregeerd worden door een oempa loempa en een honingminnend beertje.' OK, ze is het kwijt, daar komt enkel nog maar onzin uit nu. 'Een Russische maffiapresident zal Oekraïne binnenvallen op een moment dat hij Oekraïne al tien jaar aan het binnenvallen is, hij zal Poetin heten, naar een Canadees gerecht dat met frieten, kaas en vleesjus geprepareerd wordt.' Tijd voor een gesticht lijkt me zo, je kan er eigenlijk enkel maar om lachen.
'De wereld zal langzaamaan opwarmen, en de mensen zullen langzaamaan ziek worden met de wereld, zonder het op te merken, alsof je kreeften klaarmaakt. Sommige landen zullen woestenijen worden, andere zullen overstromen. Er zullen allesvernietigende stormen over het land jagen die de huizen en de oogsten verwoesten. De wereld zal onleefbaar worden en iedereen die je kent zal sterven.'
Ze kijken haar aan, en ze fluisteren hun gemene woorden in elkaars oren, ze gniffelen en gnuiven, monkelen en gniezen.
'Jullie teelballen zullen verschrompelen en zullen enkel nog stof produceren, het lachen zal je vergaan en jullie dagen zijn geteld.'
Luidop wordt er nu gelachen, eentje begint al te bulderen. Ze lachen haar vierkant uit terwijl ze naar haar wijzen, slaan hun dijen aan gort terwijl kledders speeksel in de rondte vliegen. Cassandra lacht nog het hardste, het luidste van iedereen lacht zij met hen mee.
Een duik in de gortige, hitsige waanzin van de goden en hun minder prominente halfbroers en -zusters. Macht en onmacht, ouderlijk falen van de meest perverse soort. Acteerprestaties van de bovenste plank, dans die je niet enkel ziet maar ook voelt, beeldende kunst die tot stand komt terwijl je je eraan zit te vergapen en muziek van Warren Ellis (!) die dit alles tot een coherent, indrukwekkend schouwspel smeedt.