Het lange wachten

2 minuten

Ooit pareerde ik teugelloos argument na redenering, zinneloos en ongebonden verkende ik de ommezij van het debat als had ik er het mijne van gemaakt. Ik trad op als advocaat van de duivel en maakte me de regels van het spel eigen zodat ik ze naar believen kon aanpassen. Ooit was ik onbevangen en onbevreesd, ik nam de vlucht vooruit en ik beschouwde het Denken als het dierbaarste goed, nochtans was geen sofisme me te vuig om het laatste woord te kunnen placeren. 

De rede moet aan kracht inboeten, oog in oog met de menselijkheid. De rede heeft zelfs geen bestaansrecht meer op plaatsen als Boetsja, Maghazi en Kfar Aza, Moura. Aan vergeten namen en gruwelen is geen gebrek vandaag, gisteren ook al niet. Zij worden kapot geraisonneerd en sterven na verloop van tijd een stille dood in de publieke opinie. Stil, maar niet in de harten van zij die achterblijven. 

Het lijkt zo klein dan, om telkens weer die diepe duik te nemen in je eigen sores en die daarenboven luidkeels te propageren voor elkeen die nog niet al te zeer is afgestompt door het nieuws van die dag, die nog niet tot apathie werd gebombardeerd door de niet aflatende stroom van wereldwijde ellende. Het voelt zo min aan, je op dat kleinste, bovenste piekje van Mazlov's piramide te begeven en je daar op eenentwintigste eeuwse wijze geheel over te geven aan het ik.

We kunnen het leed van de wereld niet torsen, elk apart en elk te licht bevonden. Dus trachten we het toch, in kleine beetjes. En dan is er nog ruimte, dan is er nog het kiertje, dan is er nog de blik op het eigene, en ik denk dat de zon alweer iets harder licht en warmte straalt dan gisteren, en ik denk dat we het wel halen. Ik denk dat het ooit wel stopt, zo niet morgen dan wel na ons, zo niet door ons, dan toch door zij die het torsen hebben verheven tot een innerlijke kunst, zij waaraan je het niet ziet.

Ik zou wel als een Romeinse senator willen sterven. In zondags pak gestoken, de polsen overgehaald, in een warm bad. Sloom de eeuwigheid tegemoet. Maar wie heeft nog de tijd voor een bad en wiens hart is nog niet te koud geworden om daarvan de schoonheid te willen zien.