Mierzoet in Melite

3 minuten

Van oudsher was het voor de goegemeente te Mdina, de Oude Stad, de Nobele Stad, heel gewoontjes om, na het ochtendlijke verpozen met een beker geitenmelk gezoet met Fenicische honing, met de melksnor nog trots glimmend op de bovenlip, een gezapige boekenverbranding bij te wonen. Nu wil het triestige feit dat er op dat hele verrekte eiland, en ook niet op de minuscule klip ten noorden ervan of die iets-grotere-maar-nog-altijd-kleinere-dan-de-onze rots die daar nog eens een steenworp verder werd gekwakt door een of andere voormythologische oerfeniks, ook maar één enkele boom te vinden was, wat het verbranden van boeken (en trouwens ook het produceren ervan) behoorlijk onhandzaam maakt. Dus keilden ze de profane woorden simpelweg de baren in. Je hoorde ze dan iets mompelen ala 'proteïsche offerande' of 'dat eet toch geen brood', en weg waren ze.

De lokale hotemetoten hadden verder niets meer op de planning staan, de hele volgende dag lag open en vrij en leeg naar hen te lonken, het jaagde hen angst aan tot in de kleinste puntjes van hun ondermaatse geslachten, het was te zien aan de lelijke hoofden van het al even teleurstellende kroost dat aan hun broekspijpen hing te jengelen. Zodoende zwalkte men naar de lokale handelaar in verse medes en andere fermentatiebrouwsels, die het gezelschap met een diepe zucht wees op het verbod op belachelijke hoofddeksels in zijn etablissement. Driekantige steken, fedora's, kepies, beanies, bolhoeden en tiara's werden in een kluwen achtergelaten zodat het vergeten van de dag een aanvang kon nemen. Alle driekantige steken, fedora's, kepies, beanies, bolhoeden en tiara's? Neen, één moedige hoedenfanaat stond vastig, verloor bijgevolg zeven tanden van de (in die tijd nog) zevenenveertig, en opende niet veel later een kleine negotie in breedkoppige panfluiten.

Veel later (op een tijdschaal van uren, geen maanden, nooit maanden, de laatste keer dat ik nog eens over maanden schreef is duizenden uren geleden) rolde men de meute verzopen hoogwaardigheidsbekleders in een fijn Perzisch tapijt, de heuvel af, de ferry in, de ferry uit, de heuvel op. De ferry zou die dag wegens een onstuimige zee - een niet aanvaarde proteïsch offerande, allicht - niet uitvaren. Maar, zo protesteerden de bonzen, geen ferry, geen aanwezigheid bij de boekverzuipingen! En voor onze job is dat nogal belangrijk, zegden ze tegen de waard - mekaar zonder enige ironie aankijkend, al zou jij dat niet kunnen begrijpen, zegden ze tegen de arme man. Hutjemutje in het karpet schenen de gensters van het haardvuur die avond sterren in hun ogen. Hoe dat haardvuur daar dan zo kwam, zonder hout, dat zijn uw zaken niet, beste lezer.