Verhuizen
Prent het in je troebele hoofd, het aantal stappen op de route keuken - zetel, de trap naar de slaapkamer, in het donker en twee grote sprongen boven, daar liggen de afdrukken nog van de lijven waaruit je gevormd werd, de afdrukken van insomnia en zweetbadend wakker schrikken uit dromen die je niet durft te duiden omdat je moeder je anders weleens naar de hersenkraker zou kunnen verwijzen die van haar geen bezoek moet verwachten, en waarom ook?
Het verschillende piepen en kreunen van de verschillende deuren en kieren, de keuken die blijkens als een wappieparadijs werd gebouwd want door wifi-signalen nauw impermeabel, de lange weg dat het warme water dient af te leggen, de kneuterige tuin die van elk laatste beetje charme en leven werd ontdaan door een kleinburgerlijkheid die van enige professionaliteit getuigt. De zetel en de verhalen. De zetel en de herinneringen.
Op die plek kan ik ook haar nog steeds zien, zonder er veel moeite voor te hoeven doen, haar benen achteloos over elkaar gezwierd, ze balanceert op de rand van de zetel, de verste uiterste rand waar niemand eerder ging zitten, ontspannen, met die samenzweerderige, halfdronken glimlach en een glas rode wijn in de hand, en ik draai me halverwege de afstand tussen Foer en Fukuyama eindelijk om (daar waar wij elkaar zonet gevonden hadden), stok mijn uitleg, loer met diezelfde stomme, dronken grijns op mijn wezen terug naar haar, en op dat moment, exact dan ben ik betoverd, en ik denk zij ook, of toch een beetje, en daar leeft zij nu voor eeuwig en altijd, ze werpt me maar blikken toe en kushandjes en ze zit gevangen nu in dat eeuwige singuliere moment van perfectie en schoonheid en levenslust, maar ik laat haar daar niet achter, ik verhuis haar mee naar de nieuwe zetel, naar de uiterste rand ervan, gericht naar de zon zal ze baden in het licht, in het gouden licht dat door de schuifdeur glinstert zal ze fonkelen.
En de boeken natuurlijk, stuk voor stuk, want als ik nu nog ergens in wil verdrinken dan is het wel in de woorden. Ik betrap mezelf er tegenwoordig soms op me langzaamaan neer te leggen bij de gedachte van een leven alleen geleid. Niet eenzaam, maar alleen genoeg om in andermans ogen bemoedigende boodschappen te ontwaren die werkelijk geen relevantie meer bevatten, want dit neerleggen is geen echo van de opgave, eerder een in de niet verbasterde zin stoïcijns aanvaarden van hoe een leven zich kan vormen rondom jou en je oude verwachtingen van hoe dat leven zich zou moeten vormen. Een tevreden zijn. Daarin bevindt zich nog steeds een gloed, van een even grote intensiteit als toen ik vers was en de gelukzaligheid van het niet begrijpen mocht leven, die bevindt zich achter mijn tanden en in mijn buik. Met andere woorden, het gaat best goed, en ook al schrijf ik nu het soort larmoyante stukjes dat ik van anderen amper kan verdragen, ik schrijf ze in ieder geval beter, denk ik maar.