Titanenstrijd der papzakken

2 minuten

Ach, vermageren. Een kind kan de was doen, appeltje-eitje. Het is niets doen, de afwezigheid van activiteit: niet eten. Het is ontspannen, een wandeling in het groen, dopamine genereren in een zweterige sportschool. Lekkere, knapperige groenten eten en heerlijk fris bronwater drinken. Dansen, goed slapen, ginnegappen.

Niet zo licht wordt het leven gedragen door de doorzetters. Zij die met ware toewijding hamburger na vettige hamburger binnenwerken. Zij die na de voldoening eigenlijk nog maar begonnen zijn met vreten. Zij die een halve zak chips niet als halfvol, noch halfleeg beschouwen, maar als moet en zal leeg. Zij die stampen en grauwelen, spekelen en grommelen, het vet van de lippen en kaken druipend. Zij die helden zijn. Zij die gaan sterven, maar niet groeten.

Het zijn de vrouwen en de mannen die Herculeaanse inspanningen leveren, daarbij hun lever, maag, darmen niet ontziend. Als iedereen de laatste pint heeft gedronken, en op een treffelijk uur naar huis aanzet, dan komen zij tot leven. Noem het geen drinken, het mag zelfs geen zuipen meer heten, het is een heilig devotie aan alles wat calorie- en alcoholrijk is. Zij worden niet dronken, enkel des te vastberaden. Het café moet droog.

Lethargie, stilzitten, eten, drinken en met holle ogen staren in de diepte. Dat is vermoeiend, dat is lastig. Ik zou het zo'n marathonlopertje wel eens voor mekaar willen zien te krijgen. Je kan niet eens sneller lethargieën, harder stilzitten. Het duurt wat het moet duren. Het duurt eindeloos. Ik zou zo'n komkommerwaterdametje wel eens een Duvel willen zien binnentrekken in twee grote slokken, en dan nog vijftien. Ik zou wel eens zo'n fitnessboy zijn donkere gedachten niet met sport, maar met boter en nog meer donkere gedachten willen zien bestrijden.

Vettig haar, het weke vlees, de ware vedette herken je zo. Geen tien-in-een-dozijn-pluimpje-spiertje, maar unicums, weegschaalverslindende mastodonten, onsterfelijke lieden gebeeldhouwd van suiker, vet en zout.