La sprezzatura

2 minuten

Ik verberg het vuur achter mijn tanden, toon de onmacht van mijn verkrampte handen. Zo'n dag is het: van gezwollen adertjes ten gunste van lachrimpels, schoon en schijn, van gebroken beloftes aan de waarachtigheid, van handjes schudden en gewenste danspatronen schuiven. We huichelen ons een aderbreuk doorheen deze dag. Daar geven wij geen moer om, op deze plek waar men gezandstraalde jeansbroeken en in de pas gehamerde gebitten hoger acht dan wat des mensen is, in dit avondland, in deze spiegeltijd, deze tussentijd.

Minachting tekent het blikveld rood, blikkerende tanden die druipen van wat wel bloed moet zijn, pupillen van robijn die ik me altijd bij Schrecks Nosferatu voorstelde, vermiljoenen mistbanken, een dichte, ondoordringbare mist. De doden waren hier, dwalen door de nevel, traag en triest, de roodachtige slierten binden hen aan de koude, donkere aarde. Weg zijn ze, in hun plek een vrouw van middelbare leeftijd met een glimlach die zo stralend is dat het bijna pijn doet. Ze schudt ieders handen, of bijna ieders, wat kan ze goed handjes schudden.

Eens wordt het me te veel. Dan sta ik plotsklaps als bevroren, ik tuit mijn lippen, buig mijn handen als een toeter rond mijn mond en schreeuw een woordeloze, walgende schreeuw van de vuilste klinkers die onze taal rijk is. Ik ken zoveel klinkers dat iedereen er stil van wordt. Dan klinkt er applaus, men komt mijn handen schudden, ik krijg schouderklopjes en - kneepjes, er ligt wellicht een nobele carrière in de showbizzwereld voor me in het verschiet. Ik kan op beide oren slapen en krijs mezelf vol goede moed de nacht in.