Het aanschijn van de dagen
'De kunst bestaat erin te blijven leven', sprak de jonge Afghaanse vrouw die ik ontmoette op de weg die loopt tussen Khan Younis en Cherson, het is dezelfde weg die loopt van Sanaa naar Mogadishu. Ze had helgroene ogen en sprak de treurigste zin die een mens ooit gesproken had, ze keek me glimlachend aan en haalde haar schouders op.
Toen ik in een ander leven jong en spichtig was en droomde van het hebben van grootse dromen bevroedde ik al een iel laagje weemoed over het spanningsveld dat zich trillend tussen heden en wat moet komen bevindt. Het is hetzelfde gespannen vellum dat ternauwernood de afstand tussen geestelijke traagheid en de hybris van het weldenken overbrugt. Een voorafname op de waanzin.
In Gent weerklinkt in wat men noemt progressieve middens het soort taal dat amper een legislatuur geleden nog toebehoorde aan wie Vlaams is alvorens mens te zijn. In Antwerpen marcheert men alweer onder de schaduw van een adelaar en vergaloppeert de oppercitroen zich een hernia op de weg tussen Laken en het Schoon Verdiep, alwaar hij zich binnenkort weer zes jaar kan gaan beklagen mocht het in Brussel op een voorspelbare teleurstelling uitdraaien. In Sint-Niklaas leert niemand een lesje en in Oostende loop ik af en toe Peter Verhelst tegen het lijf die me niet herkent maar wel een Boek schreef.
Toen ik in een ander leven oud en bolvormig was en een jeugdige Otto Von Bismarck van adviserende waarzeggerij voorzag, sprak ik niet over de Nederlandse inzending voor het Eurovisiesongfestival en het idiote kapsel en de idiote muziek en de volstrekte idiotie van het hele gedoe, dat was nu eenmaal niet iets dat in hem het soort van intense harteroerselen opwekte waarvoor hij zijn Realpolitik links had laten liggen. Nee, ik sprak met hem over gepunte helmen en slechte vertalingen van Duitse woorden als 'tagtäglich' en op zijn beurt voorzag hij het trieste dieptepunt van de mensheid in het jaar 2024, een bewogen jaar zou het zijn, zo sprak hij, een bewogen jaar voor de sibbe der influencers, zo sprak hij en een traan biggelde over zijn wang.
'Je zou minder de krant moeten lezen, en wat meer poëzie', zei de jonge vrouw met de helgroene ogen en ik wist dat zij de waarheid sprak. We bevonden ons op de tergend trage weg naar Ithaka, op de boot ernaartoe althans, en ik wist dat spoedig alles vree zou zijn, dat spoedig alles stil zou zijn.